De basisbegrippen: nulmeting, referentiepunten, meetpunten, epochen en betrouwbaarheid.
Nulmeting en epochen
Deformatiemonitoring vergelijkt de positie van punten doorheen de tijd. De eerste meting — de nulmeting of referentie-epoche — vormt de basis. Elke latere meting (epoche) wordt ermee vergeleken om verplaatsingen te berekenen. Hoe zorgvuldiger de nulmeting, hoe betrouwbaarder elke afgeleide beweging.
Referentie- versus meetpunten
Referentiepunten liggen buiten de invloedszone en worden verondersteld stabiel te zijn; ze vormen het vaste kader. Meetpunten (objectpunten) liggen op de te bewaken constructie. Door meetpunten te betrekken op stabiele referentiepunten worden systematische fouten geëlimineerd.
Significantie en ruis
Elke meting bevat ruis. Een gemeten verschil is pas een echte beweging als het significant groter is dan de meetonzekerheid. Statistische toetsing onderscheidt werkelijke deformatie van meetruis — essentieel om vals alarm te vermijden.